Promovenda Rimke Vos deed onderzoek naar een Haags project om dikke kinderen te helpen met afvallen. Er valt een hoop te winnen, maar slank worden ze er niet van.

Volgens de Landelijke Groeistudie van TNO is het percentage kinderen met overgewicht meer dan verdubbeld sinds de jaren tachtig. Veertien procent van de autochtone kinderen is te zwaar, maar bij kinderen van Turkse of Marokkaanse afkomst ligt dat veel hoger: van de Turkse kinderen is bijna een derde te dik.

Het percentage kinderen met obesitas, ongezond overgewicht, is nog sneller gestegen in diezelfde periode, maar is nog steeds vrij laag: slechts twee procent van de autochtone kinderen is echt obees. Bij de allochtone kinderen ligt het drie tot vier keer zo hoog, maar zelfs als je dat meerekent, doet Nederland het op Europese schaal goed. Volgens onderzoek van het internationale samenwerkingsverband OECD heeft Nederland samen met Roemenië en Letland het laagste percentage dikkerdjes van heel Europa. Ter vergelijking: in Spanje is het percentage dikke kinderen twee keer zo hoog als hier, in Malta zelfs drie keer.

Landelijke en lokale overheden hebben allerlei projecten opgezet om jeugdobesitas aan te pakken. Eén zo’n project is Haagse Maatjes, van het Juliana Kinderziekenhuis in Den Haag. Gezondheidswetenschapper Rimke Vos deed onderzoek naar de kinderen die meeliepen in het project, en hoopt daar vandaag op te promoveren.


Hij is niet dik, hij is zwaar gebouwd

Ouders zijn berucht slecht in inschatten of hun kind een gezond gewicht heeft. In een Amerikaans onderzoek uit 2007 bleek slechts een zevende van de ouders met een obees kind zelf in te zien dat hun kind veel te dik was.

Nou is dat voor kinderen ook moeilijker te bepalen dan voor grote mensen. De Body Mass Index, een verhouding tussen lichaamsgewicht en het kwadraat van je lengte, kent voor volwassenen duidelijke afkapwaarden: boven de 25 kg/m2 ben je te dik, en boven de 30 ben je veel te dik. ‘Voor kinderen zijn die afkapwaarden elk half jaar anders, en ook nog verschillend voor jongens en meisjes’, vertelt Vos. ‘Ik moet het ook steeds opzoeken in de tabellen.’ Voor wie twijfelt aan de lijn van zijn kinderen: die tabellen staan gewoon op internet.


Okee, wel dik. Gezellig toch?

Het ‘gezellige dikkerdje’ zal heus wel bestaan, maar over het algemeen hebben obese kinderen een verminderde kwaliteit van leven. ‘Californische onderzoekers stelden zelfs dat de levenskwaliteit van obese kinderen vergelijkbaar is met die van kinderen waarbij kanker is vastgesteld’, aldus Vos. Ook uit haar eigen onderzoek bleek dat obese kinderen een duidelijk lagere levenskwaliteit ervaren dan hun leeftijdsgenoten met een gezond gewicht. Ze voelen zich minder fit, en hun zelfbeeld is negatiever.


Zij groeit er wel uit als ze straks in de puberteit komt

Een obees kind heeft 50% kans om als volwassene ook obees te zijn. Voor pubers is die kans zelfs 80%, schrijft Vos in haar proefschrift. ‘Als een kind een beetje te zwaar is, kunnen ze er wel uitgroeien als je probeert om ze op hetzelfde gewicht te houden. Maar zelfs dan moet je meestal al iets doen aan hun eet- en bewegingspatroon. Maar de kinderen die ik heb gezien, waren zoveel te zwaar dat er wel echt gewichtsreductie moest plaatsvinden.’


Beetje sporten en diëten, en dan zijn die kilo’s er zo af

Nou nee. Vos onderzocht twee groepen kinderen: de zogeheten controlegroep kreeg het advies om meer te bewegen en gezonder te eten. De andere groep, de Haagse Maatjes, kregen veel uitgebreidere zorg. Een arts-endocrinoloog, een fysiotherapeut, een psycholoog, een diëtist en een ouderbegeleider werkten allemaal samen om die kinderen te helpen afslanken. Terugkomsessies, advies aan de ouders, groepsgesprekken; everything but the kitchen sink. De controlegroep was na een jaar gemiddeld even obees gebleven, en hun conditie was zelfs slechter.

De behandelde groep deed het beter. De mate van overgewicht ging er nog niet eens zo ontzettend veel op vooruit, maar een klein beetje gewichtsverlies levert al gauw grote gezondheidswinst. ‘Ze werden fitter, een klein beetje minder zwaar, en ze voelen zich beter en zelfverzekerder’, somt Vos op. ‘De behandelaars moeten steeds blijven benadrukken dat alle moeite niet voor niets is. Dat ze zich zullen moeten blijven inspannen, de rest van hun leven.’


Het is allemaal de schuld van de ouders.

Vos: ‘De grootste misvatting over kinderobesitas is dat er maar één oorzaak is, en dus ook één oplossing. Erfelijke aanleg, levensstijl en omgevingsfactoren spelen allemaal een rol. Ik vond het heel opvallend dat de verhouding van die drie dingen heel erg verschilt per kind. Bij de een kon de voeding beter, bij een ander gezin bleek er minder kennis over beweging aanwezig, bij weer een ander liggen de problemen meer in de psycho-sociale sfeer. Wat het meest de boventoon heeft, moet je het eerst aanpakken.’

En als dat de genen zijn? ‘Erfelijke aanleg om dik te worden bestaat. Maar als je die pech hebt, zul je toch moeten leren hoe je je leven moet inrichten om daar rekening mee te houden’, aldus de promovenda.


Ieder pondje gaat door het mondje.

Waar, maar niet in de zin dat dunne mensen denken dat het waar is. Overgewicht ontstaat inderdaad alleen als er meer calorieën ingaan dan het lichaam verbrandt. Maar die definitie zegt niets over waarom de één zoveel meer calorieën naar binnen werkt dan de ander, of over waarom sommige mensen dun blijven op een eetpatroon dat anderen dik maakt.

De opvatting gaat ook voorbij aan het feit dat kinderen in arme wijken moeilijker aan hun beweging kunnen komen dan rijkeluiskinderen. Het gaat voorbij aan het feit dat ongezonde voeding goedkoper is dan gezonde. Het gaat voorbij aan het feit dat voedingsproducenten er gewoon belang bij hebben dat iedereen veel eet, en dat ze miljarden uitgeven aan reclame om mensen daartoe te zetten. Een echt goede aanpak van obesitas bij kinderen richt zich niet alleen op het kind of op het gezin, maar ook op de samenleving waarin dat gezin leeft. Vos heeft ook daar een suggestie voor, in de stellingen van haar proefschrift: ‘fabrikanten van calorierijke voedingsmiddelen met geringe voedingswaarde zouden een deel van hun winst moeten afstaan voor de preventie en behandeling van obesitas.’


Rimke Vos, A Multidisciplinary Lifestyle Intervention for Childhood Obesity, promotie 7 april 2011

Bron: Leids Universitair Weekblad, Mare